Wiskunde
Bij het vak wiskunde leer je omgaan met:
Getallen: 0, 1, 2, 3, 4, …
Symbolen: + - x : = enz.
Figuren: We kennen platte figuren en ruimtelijke figuren.
Voorbeelden van platte figuren zijn:  driehoek, rechthoek, vierkant, cirkel, enz. 
Voorbeelden van ruimtelijke figuren zijn:  Prisma, Balk, Kubus, Cilinder enz.
Op de KTS leer je in de onderbouw vooral hoe je moet omgaan met het vak wiskunde. Belangrijk is dat je tijdens de eerste twee leerjaren een goede werkwijze aanleert. Je leert hoe je een opgave duidelijk, overzichtelijk en volledig uitwerkt. In de bovenbouw heb je daar dan veel gemak van. In de eerste twee leerjaren werk je, vooral in het begin, onder leiding van de docent. Naarmate je meer kennis en vaardigheid hebt moet je meer zelfstandig aan het werk. In de bovenbouw wordt tijdens de lessen wiskunde door de leerlingen bijna helemaal zelfstandig gewerkt. Er wordt dan een actieve en zelfstandige werkhouding van de leerling verwacht.
Bij de lessen wiskunde worden boeken gebruikt uit de methode “Getal en Ruimte” Dat zijn goede en leuke boeken waarbij naast de leerstof in het boek ook veel oefening wordt aangeboden via computeropdrachten.
Voor een eerste indruk ga naar: www.leerling.getalenruimte.epn.nl
Kies daar in de zijlijn onder lesmateriaal voor games en applets
|