De gemiddelde leerling bestaat niet Op veel scholen in het voortgezet onderwijs richten docenten zich op de ‘gemiddelde leerling’. Het probleem is echter dat die gemiddelde leerling niet bestaat. De ene is goed in wiskunde en zwak in talen, de andere precies andersom. De ene leert al heel zelfstandig, de andere heeft behoefte aan extra begeleiding. Iedere leerling is uniek! Hoe kun je nu het beste omgaan met al deze verschillen? Duinzigt heeft het antwoord gevonden in de IVO-werkwijze. IVO staat voor ‘Individualiserend Voortgezet Onderwijs’. Kern hiervan vormt het zogenaamde ‘aftekensysteem’. Dat betekent kort gezegd dat er (waar nodig) extra begeleiding geboden wordt. Zo zijn er aan het begin en einde van de schooldag extra steunlessen en kunnen proefwerken worden herkanst.
Het basis/plusprincipe Binnen de lessen wordt er ook zoveel mogelijk rekening gehouden met verschillen tussen individuele leerlingen. Dit noemen we het ‘basis/plusprincipe’. Door de leerstof af te stemmen op de behoeften van de leerlingen zijn ze gemotiveerder en halen ze betere resultaten. Leerlingen die de basisstof beheersen, kunnen verder gaan met verdiepingsstof, terwijl andere de gelegenheid krijgen tot extra oefening en uitleg. In toenemende mate wordt daarbij gebruikgemaakt van de digitale leeromgeving van N@tschool.
Diploma en vorming De lessen en de toetsen zijn gericht op het behalen van het diploma. De Onderwijsinspectie ziet er op toe dat de behaalde resultaten op niveau zijn. Met gepaste trots mogen we stellen dat deze door de jaren heen altijd voldoende zijn geweest. Wij zijn echter van mening dat een leerling meer is dan ‘de optelsom van zijn cijfers’. Daarom is er naast kennisoverdracht ook aandacht voor de ontwikkeling van andere talenten. Grondlegger Kees Boeke sprak over een gelijkwaardige ontwikkeling van ‘hoofd, hart en handen’. Om deze reden is er in alle leerjaren tijd ingeruimd voor projecten, sociale vorming, creatieve activiteiten en maatschappelijke stage.
|